Geloof in onze eigen kracht
Wat was de positie van de Nederlandse muziek rond het jaar 1933? Willem Pijper was een van de invloedrijkste componisten en meest polemische schrijvers over muziek op dat moment. Van 1930 tot aan zijn dood in 1947 was hij directeur van het Rotterdams Conservatorium waar een hele nieuwe generatie componisten door hem werd grootgebracht. Hij verloor vrijwel alles bij het bombardement op Rotterdam en de oorlog betekende het einde van zijn carrière. In 1933 schreef hij in het mede door hem opgerichte tijdschrift De Muziek over de Duitse situatie: ‘Men zal zich in muziekkringen aan enige nieuwe termen moeten gewennen. “Cultuurbolsjewisme’ bijvoorbeeld voor vooruitstrevend.’
In 1930 scheef hij in Stemvork, opstellen over muziek: ‘De Nederlandsche mentaliteit is anders dan de Duitsche, anders dan de Fransche. In muzikale zaken zijn wij minder skeptisch dan de Franschen, minder hartstochtelijk dan de Duitschers. Wij nemen de kunst als een ernstig spel waar, doch niet als een religie. Ook wij stellen ons niet tevreden met een oppervlakkig onderzoek, ook wij vragen naar het waarom van een kunstwerk. Doch die onderzoekingsdrift is bij ons niet primair; op den duur boeit ons geen kunstwerk dat constructiefouten vertoont. Doch wij bezitten als collectiviteit, naast deze deugden, één zeer ernstig gebrek: het ontbreekt ons aan geloof in onze eigen kracht, aan eerlijke waardeering van onze eigen beteekenis.’
Voor het veertigjarig jubileum van het Concertgebouworkest heeft hij twee jaar eerder de Zes symfonische epigrammen geschreven, een Nederlands antwoord op de extreem korte orkestwerken die Schönberg, Berg en Webern een decennium eerder componeerden. ‘Het zijn zes onderling samenhangende puntdichten (‘Sneldicht’ zou Constantijn Huygens zeggen),’ aldus de componist in zijn toelichting: ‘zeer eenvoudig van constructie en beknopt van afmeting. (…) De verwantschap tusschen de zes deeltjes is zeer nauw en men beschouwe de extreme kortheid der onderdeelen niet als schetsmatigheid: dit partituurtje van ruim twintig bladzijden is evenmin schetsmatig als een telegram.’ En in 1926, in het tijdschrift De Muziek, schrijft hij al: ‘Een telegram induceert met vier, vijf woorden geheele complexen die terzelfdertijd beginnen te functionneeren. Een pluritonale passage raakt op hetzelfde moment meerdere verdiepingen van ons bewustzijn aan. (…) Wij komen, met de pluritonaliteit, dus weer in de gebieden die de oude contrapuntisten zoo meesterlijk beheerschten.’
Het gebruik van de melodie O Nederland! let op uw saeck uit Valerius’ Gedenck-clanck in de deeltjes 1, 2 en 4 (en zijdelings in 3 en 6) dient een dubbel doel. Het verwijst naar de gelaagde muziek uit de Nederlandse laat-renaissance. En, zo vertelt alleen al de titel van de melodie: om te kunnen beoordelen of zij zich inderdaad kan vergelijken met de muziek ‘van buiten’, moet die Nederlandse muziek wél gespeeld worden.
Onno Schoonderwoerd

