Banierdrager van het verval
‘De N.S.-Kulturgemeinde wijst de opvoering der werken van Hindemith in haar uitvoeringen principieel af en ziet tevens af van overneming van uitvoeringen gegeven door andere concerteerende vereenigingen of instituten wanneer een stuk van Hindemith op het programma staat.’
Met afschuw citeert het dagblad Het Vaderland op 10 november 1934 het Duitse muziektijdschrift Die Musik, dat kort na Hitlers machtsovername is omgevormd tot ‘Amtliches Mitteilungsblatt der Reichsjugendführung’. Het beleidsvoornemen van de nationaal-socialistische Kulturgemeinde betekent een complete boycot van de componist. Dat dirigent Wilhelm Furtwängler het kort daarop openlijk voor Hindemith opnam heeft niet mogen baten. Niet alleen de radicale expressionistische eenakters Mörder, Hoffnung der Frauen en Sancta Susanna uit begin jaren twintig worden verboden, ook Hindemiths publieksvriendelijker ogende symfonie Mathis der Maler, die net haar première beleefd heeft, zal van de concertprogramma’s verdwijnen. ‘Wanneer Hindemith heden in zijn “Matthis der Maler” positiever verschijnt,’ schrijft Het Vaderland, ‘dan is daarmee nog niet bewezen dat hij – die in den geest der wetgeving van het nationaal-socialistische Duitschland niet-arisch vermaagschapt (“versippt”) is – zich innerlijk gewijzigd heeft.’ Immers: geeft Hindemith in het buitenland niet nog altijd concerten met zijn joodse vrienden Szymon Goldberg en Eduard Steuermann? En zijn geestverwantschap (“Gesinnungskameradschaft”) met Bertold Brecht? Die doet zijn zaak evenmin goed. Hindemith is voor de nieuwe autoriteiten vanaf nu ‘Kulturpolitisch nicht tragbar’, de ‘banierdrager van het verval’ – zo stelt Het Vaderland vast.
In zijn Symfonie ‘Mathis der Maler’ herschikt Hindemith in 1933-34 materiaal uit zijn gelijknamige opera, waaraan hij op dat moment nog volop werkt. Twee delen neemt hij rechtstreeks uit de opera over. Het derde en laatste deel is een bewerking van een van de scènes. In de opera – waarvoor Hindemith zelf het libretto schrijft – is de hoofdrol weggelegd voor Mathis Nithardt, ook bekend als Matthias Grünewald, de schilder van het Isenheimer altaar, een laatmiddeleeuws altaarstuk in het Noordoost-Franse Colmar. Hindemith, die in de Eerste Wereldoorlog in de Elzas gelegerd is geweest, stelt Nithardt voor als een kunstenaar die in de troebele tijden van de Duitse Boerenoorlog (1524-25) begint te twijfelen aan de zin van zijn kunstenaarschap en aan zijn plaats in de maatschappij. De parallel met zijn eigen situatie in nazi-Duitsland kan geen toeval zijn.
Onno Schoonderwoerd

