Kunst laat zich niet muilkorven
Hoewel Béla Bartók zijn Tweede pianoconcert al in 1931 heeft voltooid, vindt de première pas op 23 januari 1933 plaats, in Frankfurt. Een week later, na de ‘democratische’ benoeming van Hitler tot rijkskanselier, besluit Bartók nooit meer in Duitsland op te treden. ‘Ik zal alles ondernemen opdat mijn werken (de composities van een ‘cultuurbolsjewiek’) niet in hakenkruishanden vallen’, schrijft hij.
Net als Hindemith heeft Bartók zijn stijl rond 1930 vereenvoudigd. Zijn Tweede pianoconcert maakt het de musici en luisteraars beduidend minder lastig dan zijn Eerste pianoconcert. Bartók zoekt het in een grotere afstandelijkheid, ambachtelijkheid zo men wil. Niet voor niets zwijgen de strijkers uit het orkest in het eerste deel. Het is een verwijzing naar Stravinsky’s neoklassieke Concert voor piano en blazers uit 1924. Tegelijkertijd is het hoofdthema van het deel – geïntroduceerd door de trompetten – een versnelde versie van het finalethema uit Stravinsky’s Vuurvogel. Het langzame tweede deel, een duistere ‘Nachtmusik’ zoals alleen Bartók schrijven kon, is door de onstuitbare scherzo-episode halverwege onmiskenbaar met Stravinsky’s Sacre du printemps verbonden. Maar – vrij naar Magritte – ‘Ceci n’est pas Le sacre du printemps’. In plaats van door te werken naar een finale offerdans tot de dood erop volgt, zoals in Stravinsky’s ballet, laat Bartók de breekbare sfeer uit het begin van het deel terugkeren. In de finale borduurt hij voort op de thematiek van het eerste deel, en vormt daarmee een fraaie boogstructuur, die ook al in de tempi (snel/langzaam-snel-langzaam/snel) tot uitdrukking komt. Dit slotdeel bruist van levenslust. Het idee lijkt duidelijk: kunst laat zich niet muilkorven. Bartók neemt echter het zekere voor het onzekere, en vertrekt, net als Hindemith, in 1940 naar Amerika.
Onno Schoonderwoerd

